|
INHOUD
REISSITE
|
Woensdag 31 juliDag 9We waren ruimschoots op tijd op om de bus van 9 uur naar Van te halen. Jos, die zich uitermate beroerd voelde, rekende af en vroeg tevens een echte rekening, Tot dusverre hadden we die in de hotels nog niet ontvangen wegens belastingtechnische redenen. In het wachtlokaal van de busonderneming zaten we ons te vervelen. De bus kwam maar niet opdagen, maar niemand die er aan dacht ons daarvan op de hoogte te stellen. Jos maakte daarover op hoge toon ruzie met de dikdoenerige, maar lijntrekkende functionarissen. Later bleek de bus vertraging te hebben wegens een klapband. Even na half tienen konden we dan toch vertrekken.
Even na elven aankomst in de stad Agri. Daar moesten we overstappen, dat was evident, maar hoe laat en in welke bus? Na lang vijven en zessen hadden we iemand gevonden die daarover uitsluitsel kon geven. We moesten met een bevriende maatschappij mee; vertrektijd: 13.00 uur. Jos was inmiddels écht ziek, want ook hier barstte hij in woede uit en wel toen hij hoorde dat Robbert en hij door een stel Turken werden uitgescholden voor “sjiesjman”, hetgeen “dikke, opgezwollene" betekent. De Turken keken verbaasd op. Ze hadden niet verwacht dat we dat zouden kunnen verstaan. In de stationsrestauratie at Robbert. Jos bleef nuchter. De rest van de wachttijd verbeiden we in de theetuin, waar een zwerm schoenpoetsertjes ons lastig bleef vallen. Ook erg opvallend bij die busstations: hordes jongemannen die als vliegen om je heen zwermen en zoemen en je hun diensten aanbieden c.q. opdringen. Na verloop van tijd gingen we daar nogal agressief op reageren. Op weg naar Van. helemaal op de achterbank gezeten. Tot overmaat van ramp hadden we hier opnieuw arrogante Hollanders als buurlui. Ze gedroegen zich in onze ogen walgelijk ("De Turken in de fabriek van mijn oom gedragen zich doorgaans precies gelijk kleine kinderen", zei de afgestudeerde tandarts. "In Van geven we toch wel de voorkeur aan een comfortabel hotel, liefst met zwembad en casino", zei een ander.) Robbert gedroeg zich stug tegen hen; Jos zweeg helemaal, want hij sliep bijna de gehele reis. Alleen als er werd gestopt, ontwaakte hij.Zo maakte hij nog kennis met een typische Koerdische boer wiens zoon leraar was in West‑Berlijn. De boer had zijn dochter naar de dokter gebracht. Volgens Robbert was het omringende berglandschap grandioos; Jos had daar helemaal niets van meegekregen.
Aankomst in het stadje Van (30.000 inwoners) dat enkele
kilometers van het gelijknamige meer ligt. Het loopt tegen de avond. We vonden
al snel een redelijk goed hotel voor fl 15.‑ per persoon. (Hotel Paris) We deden
onze vuile kleding (vooral sokken en Robbert ging die avond alleen op pad om te eten en inkopen te doen (postzegels, kaas, bier, water, brood. etc.). Natuurlijk at hij weer een hele haan. Met de inkopen had hij geen problemen. Jos zat ondertussen in de lobby wat te suffen. In lezen had hij geen zin en zelfs het glaasje bier dat hij had besteld liet hij onaangeroerd staan. Een echt bewijs dat hij ziek was. Hij kroop dan ook maar weer onder de wol, maar niet voor lang. Een plotselinge aanval van diarree bezorgde hem een volle broek, dus dat was weer douchen geblazen. Donderdag 1 augustus
Dag 10We staan beiden gelijk op. Jos voelt zich wonder boven wonder kiplekker en zijn koorts is als bij toverslag verdwenen. Een direct gevolg van de Clamoxyl of van het overvloedige transpireren 's nachts? Wel kampt hij nu met een hevige diarree, waarvoor hij opnieuw een greep doet uit Robbert's uitgebreide reisapotheek; ook ditmaal met succes We nemen ons wasgoed af en vouwen het netjes op. We gebruikten het ontbijt in het hotel. We kregen er 2 wel erg snottige eitjes geserveerd (slechts 2 min. gekookt), maar desondanks smaakten ze best. Per dolmusj wilden we naar het kasteel gaan, maar volgens de receptionist reden er alleen taxi's naar toe. Jos geloofde hem, maar Robbert vond dit uiterst ongeloofwaardig. Hij had gelijk, want er reden wel degelijk erg goedkope dolmusjen naar de "kale" (burcht). Voor we vertrokken reserveerden we alvast de reis naar Diyarbakir voor de volgende dag.
De oever van het meer van Van viel nogal tegen; we hadden een vervuild stukje strand getroffen, met zwart vulkanisch zand en allerlei groene viezigheid in het water drijvend. We waagden ons er niet in. De autochtone bevolking trok zich echter niets van die troep aan en spartelde er lustig op los. Zelfs traditioneel geklede vrouwen namen een frisse duik, weliswaar met hun kleren aan. Robbert ontdekte evenwel een jonge Turkse, die met geheel ontbloot bovenlijf baadde. We keerden te voet terug naar Van, maar onderweg konden we op een bus stappen. Deze stopte vlakbij ons hotel. Na de receptionist beticht te hebben van onjuiste informatie, gingen we op onze kamer de rest van onze kleding een goede wasbeurt geven.
Rond een uur of zes aanschouwden we vanaf ons balkon een interessant tafereel buiten op straat. Een fleurig uitgedoste zigeunerin stond fier met een vervaarlijk uitziende ijzeren staaf een op de straat staande zak met onbekende inhoud te verdedigen, terwijl ze iedere voorbijganger uitschold, vervloekte en met haar slagwapen bedreigde. Straatschoffies bleven haar tergen, gooiden met stenen en deden uitvallen naar haar dierbare zak. We kwamen er niet achter wat er nu precies aan de hand was.
's Avonds belandden we in een theehuis waar de kelner staaltjes van zijn vakmanschap ten beste gaf: hij serveerde moeiteloos tien glaasjes thee met onderzetters (schoteltjes) tegelijk met niets anders dan zijn twee handen. We keken bewonderend toe. Jos liet hier zijn sandalen poetsen. Voor de grijze schoenen van Robbert had de schoenpoetser niet de juiste kleur in huis; zijn schoenen kregen dus geen schoonmaakbeurt. Op de televisie volgden het dagelijkse nieuws, dat steevast inzette met een beeld of foto van de vette, ongure tronie van Turgut Ozal, de Turkse premier. Halve haan eten in een druk beklante zaak; met name toeristen uit het belendende luxehotel dineerden er. Jos bouwde met de afgekloven botjes op zijn bord een waar knekelveld, waarop hij triomfantelijk een Turks vlaggetje plaatste. De jonge kelner kon dit wel waarderen.
In de bar van het
hotel dronken we een glas bier. We betaalden alvast de rekening, maar toen Jos
om een kwitantie verzocht moesten
|