|
INHOUD
REISSITE
|
Dag 15Dinsdag 6 augustus
We stonden om 10 uur op. Robbert had geen oog dichtgedaan vanwege buikkrampen. We dronken beneden nog wat fris, betaalden de rekening en liepen naar de bus. Die vertrok stipt op tijd. Aan de rand van Malatya moesten we wachten voor een militaire colonne van minstens 85 voertuigen. Het weer was iets afgekoeld en de lucht was bewolkt. Onderweg regende het zelfs eventjes. We moesten die dag 360 km afleggen om in Kayseri te komen. Onze route: MALATYA ‑ Gurun ‑ Pinarbasji ‑ Bunyan – KAYSERIRobbert sliep vrijwel onafgebroken tijdens de reis, Jos lag tijdens de laatste 50 km te ronken. Het eerste gedeelte liep door de bergen; het tweede gedeelte voerde ons over de hoogvlakte (tussen 1000 en 1400 m). We stopten tweemaal. In die rustplaatsen maakten we met verscheidene medepassagiers kennis. Zo sprak Robbert met een geremigreerde Turk uit Hannover, die in een stadje verderop een zaak in elektrische apparaten had opgebouwd. Hij was op zakenreis naar Istanbul en had nog zo'n 1.400 km voor de boeg! Jos kreeg contact met een bejaarde en zwaar besnorde parfumverkoper. Deze was vroeger onderwijzer geweest, dat bleek ook uit het respect dat de omstanders voor zijn markante persoonlijkheid hadden. Het gesprek handelde over geschiedenis en politiek, met name over de half verboden socialistische partij, waarvan Fikri lid was. De mensen in dit dorp (naam vergeten!) namen geen blad voor de mond. Tijdens een andere stop dronken we thee met een Engels sprekende jongeman, Adnan genaamd, die 2 jaar lang in Agri was gelegerd, maar nu vanwege psychische labiliteit (S5) voortijdig was ontslagen. Adnan droomde van West‑Europa en Amerika. Hij leek ons wanhopig op zoek naar contact en zag er niet echt Turks uit met zijn bril en met zijn Engelse songteksten van Randy Newman in zijn zak. Hij liet ons in zijn dagboek lezen. Aan Jos schonk hij een zelf met hout en touw in elkaar geknutseld kruis. (Dat heeft hij nog steeds...) We wisselden adressen uit. Hij hoopte dat we hem ergens in de scheepvaart aan de slag konden krijgen.
Aankomst in
Kayseri, het loopt tegen zessen. Onze laatste grote bustocht in Turkije zat
erop. Kayseri heeft een tamelijk modern busstation, een kilometer of twee buiten
het eveneens moderne stadscentrum. De stad telt 350.000 inwoners en is erg oud. Het
was als Ceasarea eertijds een belangrijk Christelijk middelpunt en in
Seldsjoekische tijden (12‑13e eeuw) had het ook een leidende rol,
We vroegen een telefoonverbinding met Nederland aan. Hier konden we kiezen of een en ander urgent was; het kon ook gewoon snel of normaal (dus erg langzaam!) worden aangevraagd. We kozen voor snel. Na een tijdje wachten onder het genot van ijskoud Tuborg‑bier werd ons medegedeeld dat er in Ankara storingen waren die pas na twee uur ‘s nachts zouden worden opgeheven. Of we zo lang wilden wachten? Nee, dat wilden we niet. Toch bleven we zitten, want het bier was hier best en zin om naar de stad te gaan hadden we niet meer. We keken wat naar de t.v., schreven prentbriefkaarten naar familie en kennissen en gingen al vroeg naar boven om ons bed op te zoeken. Woensdag 7 augustus
Dag 16
Met de dolmusj
naar het centrum. Daar naar het VVV‑kantoor om informatie in te winnen. De
Engels sprekende beambte vertelde ons
We brachten een bezoek aan het Ethnografisch Museum, waarna nog een aantal andere monumenten volgden. Toen Robbert naar de wc was, werd de wachtende Jos belaagd door hardnekkige tapijtverkopers, die allen wel een of andere westerse taal spraken. Hij moest ze als vliegen van zich af slaan, waarbij hij niet schroomde krachttermen te gebruiken. Zelfs in de dolmusj waren we niet veilig voor die lui. Na allerlei moskeeën, mausoleums en musea bezocht te hebben, genoten we van een wel erg uitbundig feestmaal tegen de bijzonder concurrerende prijs van fl 6,‑. Uiterst voldaan vervolgden we onze weg terug naar het centraal gelegen kasteel. Daar beklommen we de vervallen muren, terwijl we achtervolgd werden door lastige bedelknaapjes. Robbert vond de beklimming van die ruïnes te riskant en haakte af. Jos ging door, maar moest toch menigmaal zijn angsten voor de afgronden bedwingen. Balancerend over de kantelen vervoegde hij zich weer bij Robbert.
Een stuk verderop streken we neer op een terras. De ober wilde ons echter niet bedienen; hij deed ronduit vijandig. Jos werd het beu en ging zelf naar binnen om te bestellen. Een andere ober hielp ons toen en vertelde dat zijn collega slechte ervaringen had met Duitsers. Hij zelf wilde graag naar Europa gaan werken. Konden wij niets voor hem regelen? Nee, antwoordden we hem. Teleurgesteld informeerde hij nog of de visumplicht voor Turken in Nederland nog steeds bestond. Ja, antwoordden wij hem. Op het station (spoorweg‑, geen busstation) informeerden we naar de treinen naar Ankara. We konden helaas niet direct reserveren, daarvoor moesten we terugkomen. Er liepen 4 treinen per dag. Het gebouw was oud en goor; de ontvangsthal kreeg echter een hoognodige opknapbeurt. Met de dolmusj keerden we terug. We wisselden traveler cheques in (geen probleem, het duurde slechts 30 minuten), spraken er met een handelaar uit Diyarbakir die een lief meisje bij zich had en togen naar de kroeg.
Terug bij
VVV‑kantoor. De aangevraagde trip kon doorgaan. Er waren 2 andere gegadigden,
een Hollands paartje uit ons hotel. Of wij hen wilde waarschuwen dat we om 9
uur de volgende dag zouden vertrekken. Natuurlijk deden we dat. Op de terugweg
naar het hotel zat in onze dolmusj een officier van het leger, waarmee we wat
babbelden. Robbert bleef die avond binnen; ook at hij niet,
|