|
INHOUD

Wie zijn we?
Welke landen?
ONZE
REISVERSLAGEN
| |


CITAAT
|
|
"Reis licht bepakt
en de rover heeft het nakijken."
|
Juvenalis (130‑60 v.C.)
|
Dinsdag 23 juli
Dag 1
 We vertrekken
vanaf de Düsseldorfer Flughafen. Marjan, de vriendin van Robbert, heeft ons met
de auto gebracht. We vliegen met een Tri Star van de chartermaatschappij LTU.
Als het landingsgestel na een viertal uren voor het eerst de Turkse bodem
beroert, barst bij het overwegend Duitse reizigerspubliek een spontaan applaus
los. De captain en de crew worden bedankt voor het veilig aan de grond zetten
van de machine. Hierover verbazen wij ons: we zitten toch in het tijdperk van
"Star Wars" en niet meer in dat van Plesman en de "Uiver'? Het is een militair
vliegveld waar we zijn geland: tientallen jachtvliegtuigen staan er in lange
rijen opgesteld. Zullen dit de door ons en West‑Duitsland afgedankte Starfighters zijn? Turkije heeft die namelijk voor een prikje mogen overnemen.
Vergeleken met internationale luchthavens zoals Heathrow, Orly en Schiphol lijkt
het hier meer op een uit de kluiten gewassen busstation. De aankomsthal is een
kale, sobere ruimte. Gelukkig zijn de douaniers niet van plan overuren te maken,
want die schijnen ze niet betaald te krijgen. Alleen Turkse staatsburgers worden
aan een minutieus onderzoek onderworpen. De toeristen echter wordt geen
strobreed in de weg gelegd.
Het vliegveld ligt 25 km van Izmir verwijderd. Omdat er
geen goedkope "dolmoesjen" (soort taxibusjes) zijn, besluiten we samen met een
Duits paartje een taxi te nemen. Na een half uurtje staan we op het
autobusstation van Izmir. We zijn nog een kilometer of 2 van het centrum af,
maar voor we daar naartoe gaan, versterken we de inwendige mens in de
stationsrestauratie. Voor Robbert is het de eerste Turkse maaltijd; in no time
slaat hij de gerechten naar binnen. Ook het brood is naar zijn smaak. Het eten
is erg goedkoop hier; voor fl 3,‑ kun je er voor een maaltijd(je) terecht.
 |
 |
| |
|
| |
|
IZMIR : Feiten, cijfers en geschiedenis
|
Izmir is een stad van 3.000 jaar oud. In de Oudheid
Smyrna geheten (nu nog een bekende naam in de tapijthandel), maar door de Turken
Izmir gedoopt. De in grootte derde stad van Turkije (na Istanbul en Ankara met
resp. 5 en 3 miljoen inwoners in 1985) met een bevolkingsaantal van bijna 2
miljoen, de voorsteden meegerekend. Aan de rand ervan liggen de troosteloze en
onafzienbare sloppenwijken (Turks: gecekondu's) bestaande uit schamele
onderkomens van blik, hout, kratten, rotsen, leem. Ze liggen tegen hellingen en
aan de rand van ravijnen. Sanitaire en andere noodzakelijke voorzieningen
(waterleiding, elektriciteit) ontbreken. Ze vormen brandhaarden van misdaad en
links politiek verzet.
In 1923 is Izmir door de Turken onder aanvoering van
Kemal Atatürk op de Grieken veroverd. Een half miljoen Grieken werd letterlijk
de zee ingedreven, Volgens ooggetuigen kleurde het water rood van het bloed. De
stad ligt aan een ruime baai. Er heerst een mediterraan klimaat. Het is de
tweede Turkse haven; verder biedt ze onderkomen aan het hoofdkwartier van de
Zuid‑Oost flank van de NAVO. Aan de kades liggen nog maar enkele zeemanskroegen
waar Turken tric‑trac spelen en aan hun waterpijp lurken. De boulevards met
palmen en dergelijke hebben een toeristische inslag. Daar liggen ook de
luxehotels. Het eigenlijke centrum is gemoderniseerd en wordt Konak (betekent
middelpunt) genaamd. Een fraai gestileerde klokkentoren trekt er de aandacht.
Het oude centrum wordt gevormd door de Romeinse 'agora' (plein) en de "bazaar"
(half overdekt marktgebeuren) ten zuiden ervan. Verder heeft de stad niet veel
te bieden: een Jaarbeursterrein met allerlei kermisachtige toestanden.
Paviljoens, restaurants, dierentuintje en parken. Enkele archeologische en
etnografische musea (de kuststreek van West‑Turkije wemelt van historische
vindplaatsen, ruïnes en opgravingen met name uit Hellenistische en Romeinse
tijden. De toenmalige culturen worden gerekend tot de hoogst ontwikkelde van
die tijdsperiode: Troje, Bergama (Pergamon), Phrygië, Lydië en Lykia, Milet,.
Efese, Afrodisia, etcetera.) en de Kadifekale, een oeroude vesting op de Pagus‑berg,
enige kilometers buiten de stad gelegen.
|
 De
drankjes waarmee we onze kelen
regelmatig smeerden: lokaal Efes bier
en raki (een soort ouzo). |
 |
Terug naar onze tocht. Na het eten stappen we
in de bus richting centrum. Jos vergist zich en overschat zijn
oriëntatievermogen.
Veel
te vroeg stappen we uit. Al sjouwend worden we aangeklampt door een net geklede,
westers ogende heer die goed Engels spreekt.
Hij wijst ons de weg naar een buurt waar veel hotels liggen. Even
later, na bij enkele betere hotels nul op ons rekest gekregen te hebben, vinden
we onderdak bij een goedkoop hotel met de veelbelovende, maar misleidende naam Emin Palas Hotel. Kosten: fl 4 per nacht per persoon. Onze kamer bestaat uit een
hok met twee bedden, een wrakke stoel en een onooglijk tafeltje. Het is er
smoorheet; water is er niet voor handen en de karige verf op de muren is bijna
volledig afgebladderd. We rusten even om van de vermoeienissen bij te komen,
maar de sauna‑achtige temperatuur drijft ons al gauw naar buiten, waar we
naarstig op zoek gaan naar een café (T.: birahane) om ons een schuimend en koel
glaasje bier te laten schenken. Valt dat even tegen. Er is weliswaar bier, maar
met een vlakke smaak, lauw en zonder noemenswaardige kraag. Een betere kraag
kunnen we regelen, maar aan de temperatuur en de smaak valt niks te veranderen. Na enkele pinten
gaan we richting zee. Al slenterend bereiken we de boulevard. Het is al laat en
er is eigenlijk niets te beleven. We zoeken een van de uiterst weinige(!)
terrasjes op, waar we kunnen genieten van Tuborg ‑ bier uit gekoelde flessen.
Heerlijk.
|

|
We gaan binnen
zitten en stippelen onze reisplannen voor de volgende dag uit. We besluiten
eerst te informeren naar de mogelijkheden om per boot naar Iskenderun (aan de
Turks‑Syrische grens) te reizen. Mocht er geen verbinding voor normale
passagiers bestaan, dan zouden we zo snel mogelijk per bus naar Ankara
vertrekken. De derde reismogelijkheid, namelijk vliegen naar Diyarbakir, laten
we verder onbesproken. Inmiddels is het sluitingstijd geworden en verlaten we
het kroegje als laatsten. In de buurt van ons hotel begon zo langzamerhand de
rosse buurt. De business is er niet zo opvallend, maar wel duidelijk aanwezig in
smoezelige hotelletjes en restaurantjes van twijfelachtig allooi. Een magere
jongeman klampte ons aan om ons meisjes en vrouwen in allerlei soorten en maten
aan te bieden in wat voor leeftijdscategorie dan ook. De meisjes zaten speciaal
op ons te wachten in de "gecekondu's". Ook jonge dingen van 14 jaar verkochten
hun lichaam spotgoedkoop: er was sprake van een prijs van rond de fl 5.
De "postillon d'amour" zou er ons met de auto naar toe brengen. We weigerden
echter resoluut.
|
We zijn terug in ons hotel bij de gebochelde eigenaar. We
bestellen nog wat te drinken. Een 10‑jarig jongetje bedient ons kwiek en handig.
Een paar flesjes "maden suyu” (mineraalwater) nemen we mee naar onze kamer.
Robbert slaapt die nacht als een marmot,
maar Jos heeft problemen met de tropische hitte. Hij zweet als een otter en
heeft last van ademnood. Tegen de morgen is zijn lichaam wat afgekoeld, wat weer
een onbedwingbare aanval van hoestbuien ten gevolge heeft. Kortom, hij doet die
eerste nacht in Turkije praktisch geen oog dicht.
Woensdag 24 juli
CITAAT
|
|
“Mensen die me
vragen naar het motief voor mijn reizen geef ik gewoonlijk ten antwoord dat ik
wel weet wat ik ontvlucht, maar niet wat ik zoek."
|
Montaigne(1533 ‑
1592)
|
Dag 2
Jos stond als
eerste op (nogal wiedes, hij was nog steeds wakker) en zocht het toilet en de
badkamer op. Wat hij daar aantrof deed hem de haren te berge rijzen. De
sanitaire voorzieningen verkeerden in een staat die met geen pen te beschrijven
is. Uit de douchekop (laten we het gemakshalve zo noemen) kwam slechts
druppelsgewijs water en het stonk er vreselijk: in de badkamer lag een grote
stapel wasgoed waarin het weer zat. Ook Robbert moest alleen al bij de aanblik
van die gore troep kokhalzen. Toch liepen er bedrijvig poetsvrouwen rond, maar
of die hun taak nauwgezet uitvoerden mag ten sterkste worden betwijfeld.
We lieten onze
bagage ingepakt en wel in het hotel achter en ontbeten ergens. Vervolgens gingen
we in snel tempo op zoek naar een reisbureau. Al gauw hadden we succes. Helaas
bestonden er geen vaarverbindingen met Iskenderun, zo maakte de aantrekkelijke
Turkse die ons te woord stond duidelijk. We besloten dan ook om direct een
busreis te boeken naar Ankara.
Bij de
busonderneming "Pamukkale" 2 tickets Izmir ‑ Ankara gekocht voor fl 15 per stuk
(voor pakweg 700 km). Vertrek om half twaalf vanaf het busstation buiten de
stad. Om 11.00 uur bracht het servicebusje van "Pamukkale" ons naar het
busstation. Onderweg passeerden we een onbeschrijfelijk vies stinkend open riool
van ongeveer 10 meter breed. Over sanitaire voorzieningen gesproken ... en dat
in dit klimaat!


|