INHOUD

Start Izmir Ankara Erzurum Dogubeyazit Van Diyarbakir Kahta Malatya Kayseri Cappadocie Ankara2 Izmir2

REISSITE
JOS & CLIM
 

Bezochte
UNESCO - sites

Onze
Fotosite

Wie zijn we?  
Welke landen?

        ONZE
REISVERSLAGEN

ALASKA 
ARGENTINIË   AUSTRALIE  
BALI 

BELIZE  
CALIFORNIË
   CANADA  
CHINA  

CHILI  
CUBA 
CURAÇAO   CYPRUS  

ECUADOR  
EGYPTE   FOTOSITE  
GUATEMALA  
INDIA-NOORD  
INDIA-ZUID
ISRAËL 
JAVA    JORDANIË   KRETA     
MADEIRA
 

MALEISIË   
MALTA 
MAROKKO 
MEXICO 1
    
MEXICO 2

NEPAL  
NEW YORK  
OEZBEKISTAN 
PARAGUAY
   
PERU 

RAJASTHAN
RUSLAND   SINGAPORE  
SRI  LANKA
  
SUMATRA
   
SYRIË  
THAILAND
TUNESIË
TURKIJE 1   TURKIJE 2  
UNESCO SITE  

URUGUAY
USA CROSSING  
ZUID-AFRIKA 

 

 

REISSITE
JOS & CLIM
 

 

Ankara2


Vrijdag 19 augustus 

CITAAT

"Veroveraars met een zwaard verliezen het van veroveraars met de ploeg; ze zullen hun plaats aan hen afstaan."

Atatürk  (ofwel Mustafa Kemal Pasja)
Dag 18

Jos stond als eerste op en ging alvast de nodige inkopen doen: bronwater, worst, kaas, brood, eieren (geverfde!), zout, vruchtensappen en dieetkoekjes voor Robbert (die zich nog steeds allerbelabberdst voelde; last van steken in de buik en van diarree). Het eten was bestemd voor consumptie in de trein naar Ankara.

Samen met Henk stapten we in de dolmusj en zochten we Omer de beambte van het VVV‑kantoor op. Deze speelde de vermoorde onschuld, maar wij Hollanders hielden voet bij stuk en eisten gedeeltelijk restitutie van het teveel betaalde reisgeld. Uiteindelijk zwichtte hij voor onze hardnekkigheid en beloofde hij om 11 uur met cash te komen. Wij konden echter niet daarop wachten omdat we tegen die tijd de trein verwachtten. Jos gaf aan Henk zijn banknummer, zodat deze eenmaal terug in Nederland de ons rechtens toekomende fl 42,‑ (want om die som ging het) kon overmaken. Henk hield woord: drie weken na terugkeer in Nederland ontvingen we het bedrag keurig op onze rekening. Dus sommige van die Hollanders in het buitenland kunnen toch nog aardig en sympathiek en betrouwbaar zijn! Overigens, de Groningers waren ook present om hun (kleiner) aandeel te incasseren. Zij zouden die dag naar de westkust gaan liften.

We waren fijn op tijd op het station. Er werd door een aantrekkelijke juffrouw (die beslist niet in dit verwaarloosde decor thuishoorde) naar Nigde getelegrafeerd om te informeren of er nog 1e klas‑plaatsen vrij waren. Gelukkig wel. De kaartjes kostten omgerekend fl 5.‑ voor een le klas reis van pakweg 400 km. De trein bleek een klein uur vertraging te hebben. Tijdens het wachten op het perron werden we regelmatig aangeschoten door kinderen die hun Duits en Engels wilden oefenen. Ze waren niet al te opdringerig, zodat we met plezier op hun contactzoekerij ingingen en hele gesprekken voerden met hen. Robbert maakte ook nog een praatje met een Turkse man die jarenlang in Harderwijk in een kippenslachterij had gewerkt. Hij sprak niet zo best Nederlands. Weer een andere Turk vroeg ons hoeveel we voor de flesjes fris die we daar kochten hadden moeten betalen. Waarschijnlijk was het iemand van de economische controledienst die moest nagaan of we niet waren opgelicht. Tegen half een verscheen de trein, piepend en puffend. De jongetjes hielpen ons met het vinden van een geschikte coupé en joegen de aldaar gezeten passagiers eruit. Hoe ze dat klaarspeelden blijft ons een raadsel. Als tegenprestatie beloofde Jos een van hen postzegels op te sturen.

 

Een ander kreeg alvast wat losse Duitse geldstukken. Zij spaarden Duits geld, beweerden ze; nogal wiedes. wie niet in zo'n arm land! Het werd een bijzonder vervelende en ook afmattende reis. De trein stond tientallen malen doelloos op de rails stil, terwijl de zon onbarm­hartig op het metalen dak brandde. Vaak reed de trein stapvoets, ook zonder aanwijsbare redenen. In elke vlek waar we stopten, moest het handvol passagiers letterlijk de trein binnenklimmen door afwezigheid van perrons of zoiets. Marskramers liepen voortdurend in het gangpad hun waren al of niet luidkeels aan te prijzen. Uit gezondheidsoverwegingen kochten we alleen drinkbare spullen. Ons eigen bronwater was natuurlijk pislauw geworden. Om beurten gingen we een uurtje onder zeil, uitgestrekt op de harde banken. Tussendoor lazen we of keken we uit het raam naar het eentonige landschap: vlak en kaal, hier en daar een dorpje of een schaapsherder met zijn kudde, soms grote graanvelden, in de verte wazig schemerende heuvelruggen. In dit gedeelte van het land zwaaien de kinderen zonder uitzondering naar de trein. In het meer geciviliseerde westen doen ze dat niet; daar gooien ze met stenen, in Izmir waren we daar bijvoorbeeld getuige van.

 

Het logo van de Turkse Spoorwegen, letterlijk vertaald:

DE  IJZEREN  WEG

 

Aankomst op het nette station van Ankara. We gingen onmiddellijk op zoek naar inlichtingen over treinen richting Izmir. Dat lukte niet zo best. Terwijl Robbert op de bagage paste, nam Jos een gedistingeerde. Frans sprekende Turkse heer in de arm. Deze was erg hulpvaardig; dankzij hem kwamen we erachter dat we ook hier de volgende dag moesten terugkeren om te kunnen reserveren. Per taxi reden we naar het centrum om een hotel te zoeken. Plotseling vielen alle stadslichten uit, waardoor de stad in diepe duisternis werd gehuld. Door een misverstand (communicatiestoornis) reed de chauf­feur ook nog een verkeerde richting in, maar uiteindelijk belandden we waar we zijn wilden. We kozen het enige hotel dat nog licht voerde, hotel Erden in de buurt van het Genclik Parki. Hoewel het hotel zich in een deplorabele toestand bevond, werd er een forse prijs gevraagd, maar we hadden geen zin om te gaan afdingen. Ten­slotte was dit het enige hotel met een goede lichtvoorziening en dat was ons ook wel wat waard. De doucheruimte verkeerde in een hopeloze toestand; het stonk er, de kraan druppelde onophoudelijk en de gebarsten closetpot zag bruingeel van de aanslag.

We bleven maar enkele minuten op de kamer, want we wilden zo snel mogelijk naar het nabije Genclik Parki, waar gouden gerstenat en gegrilde kippetjes ons wachtten. Bij nader inzien nam Jos geen geroosterde haan maar köfte, welke men vergat af te rekenen. Het was een hete dag geweest en dus hadden we een uitgedroogde keel. In een van de vele biertuinen bleven we tot kwart over één drinken en naar de sentimentele films op de televisie kijken. Om kwart over twee was Robbert al lang in dromenland, terwijl Jos na een hevige hoestaanval geen oog meer dicht kon doen. Om de tijd toch maar nuttig te besteden stelde hij in het Turks een protestbriefje op, waarin puntsgewijze ingegaan werd op de mankementen van het hotel en waarin werd verzocht de prijs tot de helft te verlagen. Als bewijsstuk sloot hij een buitgemaakte kakkerlak in. Het lijstje: ‑ geen handdoeken ; ‑ geen zeep aanwezig; ‑ een kapotte schemerlamp; ‑ een irritant lekkende kraan;  ‑ wèl aanwezig: kakkerlakken; ‑ een smerige wasruimte; ‑ een ongevraagd wektelefoontje om zes uur ’s morgens.

In het Genclik Parki brachten we heel wat uurtjes zoet.

Onze treinreis die dag: KAYSERI – Himmetdede - Kirikkale ‑ ANKARA


Zaterdag 10 augustus

CITAAT

 “Allah is Groot en Mohammed is Zijn Profeet."

De heilige Koran
Dag 19

Het was al bijna middag toen we opstonden. Onze tassen waren al de avond tevoren ingepakt. Bij het afrekenen aan de balie ontstonden er wat spanningen, waaraan het briefje van Jos debet was. Onze klachten vielen niet in goede aarde en slechts na lang en moeizaam onder­handelen was men bereid iets van de prijs af te doen. We stelden ons hiermee tevreden. Onder afkeurende blikken van het talrijke (onnodige) personeel gingen we op zoek naar een taxi, die ons naar het station bracht. Daar ging Jos in de rij staan om kaartjes en couchettes te bemachtigen voor de avondtrein naar Izmir. Er stond een lange rij voor hem, maar na een half uurtje ging het opeens een stuk sneller. De loket­beambten waren namelijk overgeschakeld op geautomatiseerde apparatuur, zo bleek later. Robbert trachtte ondertussen onze bagage kwijt te raken in het bagagedepot, maar dat lukte niet. Eerst moest hij slotjes voor de tassen kopen, anders werden zij niet geaccepteerd.  Ze waren te koop in een kiosk in de stationshal. Robbert kocht voor het eerst een pakje Marlboro en Jos was bijna door zijn voorraad vloeitjes heen. We hadden wel nog genoeg shag, de kunst was dus om vloeitjes op de kop te tikken. Wat we ook deden en waar we ook vroegen, het lukte ons niet.

We liepen naar het Ethnografisch Museum en het Kunstmuseum (beelden en schilderijen) die op een heuvel midden in de stad lagen. Er tegenover stond een joekel van een beeld van de Turkse vader des vaderlands. In dit museum was ooit Atatürk's tombe gelegen. We moesten onze tassen inleveren en ontvingen een soort bezoekerskaart met badge om op te spelden. Binnen was het ondanks alles zwoel en drukkend. Het was er niet druk. Het interessantste vonden we het vertrek waar alle geschenken lagen geëxposeerd die kolonel Evren, het militaire staatshoofd, op zijn officiële bezoeken aan andere landen van staatshoofden heeft ontvangen. Ook bij de collectie moderne schilderkunst waren enkele werken die het bekijken waard waren. Jos moest zo nodig (vandaag was hij de pineut met stoelgangperikelen) en snelde naar achteren.

 

   

Vorige Start Volgende