|
INHOUD
REISSITE
|
Vrijdag 19 augustus
Dag 18
We waren fijn op
tijd op het station. Er werd door een aantrekkelijke juffrouw (die beslist niet
in dit verwaarloosde decor thuishoorde) naar Nigde getelegrafeerd om te
informeren of er nog 1e klas‑plaatsen vrij waren. Gelukkig wel. De kaartjes
kostten omgerekend fl 5.‑ voor een le klas reis van pakweg 400 km. De trein
bleek een klein uur vertraging te hebben. Tijdens het wachten op het perron
werden we regelmatig aangeschoten door kinderen die hun Duits en Engels wilden
oefenen. Ze waren niet al te opdringerig, zodat we met plezier op hun
contactzoekerij ingingen en hele gesprekken voerden met hen. Robbert maakte ook
nog een praatje met een Turkse man die jarenlang in Harderwijk in een
kippenslachterij had gewerkt. Hij sprak niet zo best Nederlands. Weer een andere
Turk vroeg ons hoeveel we voor de flesjes fris die we daar kochten hadden moeten
betalen. Waarschijnlijk was het iemand van de economische controledienst die
moest nagaan of we niet waren opgelicht. Tegen half een verscheen de trein,
piepend en puffend. De jongetjes
Een ander kreeg alvast wat losse Duitse geldstukken. Zij spaarden Duits geld, beweerden ze; nogal wiedes. wie niet in zo'n arm land! Het werd een bijzonder vervelende en ook afmattende reis. De trein stond tientallen malen doelloos op de rails stil, terwijl de zon onbarmhartig op het metalen dak brandde. Vaak reed de trein stapvoets, ook zonder aanwijsbare redenen. In elke vlek waar we stopten, moest het handvol passagiers letterlijk de trein binnenklimmen door afwezigheid van perrons of zoiets. Marskramers liepen voortdurend in het gangpad hun waren al of niet luidkeels aan te prijzen. Uit gezondheidsoverwegingen kochten we alleen drinkbare spullen. Ons eigen bronwater was natuurlijk pislauw geworden. Om beurten gingen we een uurtje onder zeil, uitgestrekt op de harde banken. Tussendoor lazen we of keken we uit het raam naar het eentonige landschap: vlak en kaal, hier en daar een dorpje of een schaapsherder met zijn kudde, soms grote graanvelden, in de verte wazig schemerende heuvelruggen. In dit gedeelte van het land zwaaien de kinderen zonder uitzondering naar de trein. In het meer geciviliseerde westen doen ze dat niet; daar gooien ze met stenen, in Izmir waren we daar bijvoorbeeld getuige van.
We bleven maar enkele minuten op de kamer, want we wilden zo snel mogelijk naar het nabije Genclik Parki, waar gouden gerstenat en gegrilde kippetjes ons wachtten. Bij nader inzien nam Jos geen geroosterde haan maar köfte, welke men vergat af te rekenen. Het was een hete dag geweest en dus hadden we een uitgedroogde keel. In een van de vele biertuinen bleven we tot kwart over één drinken en naar de sentimentele films op de televisie kijken. Om kwart over twee was Robbert al lang in dromenland, terwijl Jos na een hevige hoestaanval geen oog meer dicht kon doen. Om de tijd toch maar nuttig te besteden stelde hij in het Turks een protestbriefje op, waarin puntsgewijze ingegaan werd op de mankementen van het hotel en waarin werd verzocht de prijs tot de helft te verlagen. Als bewijsstuk sloot hij een buitgemaakte kakkerlak in. Het lijstje: ‑ geen handdoeken ; ‑ geen zeep aanwezig; ‑ een kapotte schemerlamp; ‑ een irritant lekkende kraan; ‑ wèl aanwezig: kakkerlakken; ‑ een smerige wasruimte; ‑ een ongevraagd wektelefoontje om zes uur ’s morgens.
Onze treinreis die dag: KAYSERI – Himmetdede - Kirikkale ‑ ANKARAZaterdag 10 augustus
Dag 19Het was al bijna middag toen we opstonden. Onze tassen waren al de avond tevoren ingepakt. Bij het afrekenen aan de balie ontstonden er wat spanningen, waaraan het briefje van Jos debet was. Onze klachten vielen niet in goede aarde en slechts na lang en moeizaam onderhandelen was men bereid iets van de prijs af te doen. We stelden ons hiermee tevreden. Onder afkeurende blikken van het talrijke (onnodige) personeel gingen we op zoek naar een taxi, die ons naar het station bracht. Daar ging Jos in de rij staan om kaartjes en couchettes te bemachtigen voor de avondtrein naar Izmir. Er stond een lange rij voor hem, maar na een half uurtje ging het opeens een stuk sneller. De loketbeambten waren namelijk overgeschakeld op geautomatiseerde apparatuur, zo bleek later. Robbert trachtte ondertussen onze bagage kwijt te raken in het bagagedepot, maar dat lukte niet. Eerst moest hij slotjes voor de tassen kopen, anders werden zij niet geaccepteerd. Ze waren te koop in een kiosk in de stationshal. Robbert kocht voor het eerst een pakje Marlboro en Jos was bijna door zijn voorraad vloeitjes heen. We hadden wel nog genoeg shag, de kunst was dus om vloeitjes op de kop te tikken. Wat we ook deden en waar we ook vroegen, het lukte ons niet.
We liepen naar het
Ethnografisch Museum en het Kunstmuseum (beelden en schilderijen) die op een
heuvel midden in de stad lagen. Er tegenover stond een joekel van een beeld van
de Turkse vader des vaderlands. In dit museum was ooit Atatürk's tombe gelegen.
We moesten onze tassen inleveren en ontvingen een soort bezoekerskaart met badge
om op te spelden. Binnen was het ondanks alles zwoel en drukkend. Het was er
niet druk. Het interessantste vonden we het vertrek waar alle geschenken lagen
geëxposeerd die
|