MENU
ONZE ANDERE WEBSITES
ONZE
ALASKA
|
|
![]() |
|
Na in het hotel gegeten te hebben (sandwiches en pakora's, dat zijn gevulde gefrituurde bollen) nemen we een autoriksja naar het station. Het regent. Als we de drukte zien in de reserveringshal zakt ons de moed in de schoenen, dat wordt ongetwijfeld van het kastje naar de muur lopen. Het valt mee. We vinden het reserveringsloket met de formulieren meteen en hoeven niet lang te wachten. Tot onze verrassing is er een speciaal kaartjesloket voor ‘senior citizens’, gehandicapten, oorlogshelden en ... toeristen! Echt, het staat er, en de rij is te verwaarlozen. De eersteklasplaatsen voor morgen naar Hyderabad zijn uitverkocht, dus maar de tweede klas genomen. We gaan een kijkje nemen naar de modale 2de klassen en schrikken ons rot. We zien mensen in de bagagerekken hurken, de banken zijn van hard hout, er ligt kots op de vloer. Bij voorbaat krijgen we al een nachtmerrie. Een stationschef stelt ons echter gerust, dat is een lokale 2de klas. Wij hebben expresse, die zijn veel beter. Laten we het hopen. In de hal drinken we appelsap uit Himachal Pradesh, de Himalaya bergprovincie van India. Tijdens onze eerste reis door het noorden hebben we dit drankje leren waarderen als een verfrissende dorstlesser, een van de beste. Het weer blijft slecht en we besluiten op de kamer te blijven, televisie kijkend, lezend, puzzelend en schrijvend.
Met
zijn allen hebben we besloten er een afscheidsavond van te maken. Niet alleen
wij gaan weg, ook een ander koppel gaat morgen hunsweegs en wel naar ashram
van Sai Baba (een bij westerlingen populaire goeroe) zo’n 100 kilometer
verderop. Om acht uur komen we
bijeen in de hal. Goed, we zijn bij elkaar, wat nu? Eh, ja, laten we maar
riksja's aanhouden. 0 ja, met zijn twintigen? Eh, nou nee, dan nemen we maar de
busjes. Gelukkig liggen de chauffeurs net te slapen in mobiele werkplek. Er is
gereserveerd in een prima restaurant in de buurt, zo wordt gezegd. In de buurt
betekent een half uur rondjes rijden en dan zijn we er nog steeds niet. De
twee dames die dit klapstuk op touw gezet hebben, weten van
niets. Ze verontschuldigen zich met het smoesje: "Ja, maar het is nu zo
duister." In de busjes valt
een beschuldigende stilte. Door puur toeval komen we er uit, het restaurant ligt op
500 meter afstand van het hotel. De chauffeurs lachen zich een aap, en
terecht, dit vormt een regelrechte aanfluiting.
|
|
|
De
setting op het eilandje, kunstmatig uiteraard, van het high society restaurant
Paradise is perfect, het zij gezegd. Allen om één grote tafel, nog niet eens
rond. Het is de duurste tent van de hele stad. We worden voor een etentje
uitgenodigd waar een fors prijskaartje aan hangt en we moeten nog zelf
betalen ook! Echt gezellig is het niet meer. Het eten is van hoge
kwaliteit, de biefstuk bijvoorbeeld is een van de betere die we ooit gehad
hebben. Wat rekt het diner zich lang! Af en toe staat Jos op en kuiert wat
rond. Na elven beginnen er enkelen quasi geïnspireerd te dansen. Om
middernacht is de tijd om af te rekenen aangebroken. Iedereen moet zelf
uitrekenen hoeveel hij moet betalen, de meeste vergeten de belasting en zo.
Resultaat, het opgehaalde bedrag is vele honderden roepies minder dan de
eindafrekening aangeeft. De reisbegeleidster en het potje moeten bijlappen, want de meeste
zijn al op eigen houtje terug naar het hotel. Het mooiste van dit alles is dat
de initiatiefnemers, de aanstichters van deze ramp, als eersten in alle stilte
zijn verdwenen, als een dief in de nacht... Het luxediner kostte gemiddeld
400 roepie: een maandloon van een arbeider hier.
Al
foeterend en balend lopend we daarna door nachtelijk Bangalore. Er is geen kip
op straat, zelfs geen daklozen liggen hier op de stoep. Geen bedelaar kruist
ons pad. We raken de weg kwijt. We nemen een eenzame motorriksja in de hand,
die kent het hotel ook niet, maar wil wel mee helpen zoeken. Hij raakt net als
ons hopeloos de weg kwijt. Een drietal dronken jongelingen op een scooter gaat
ons vervolgens voor. We bedenken dat zij ons met die overmacht best kunnen
overvallen en Jos begint alvast allerlei overlevingsstrategieën
te verzinnen. Maar we komen er toch uit met behulp van de portier van
een concurrerend hotel. De riksjajongen eist ineens veel meer geld dan
overeengekomen. Onze portier erbij, we middelen de zaak en de zaak is
geklaard. Jos heeft al die tijd zijn Zwitsers legermes bij de hand gehouden
voor alle zekerheid, nou, dat kan hij nu met een gerust hart opbergen. Op onze
kamer nemen we alsnog enkele slokjes whisky om de gevoelens van frustratie weg
te drinken.
|
|
PARLIAMANTHet parlement van dedeelstaat Karnataka |
We zijn nu van de groep "verlost". Het is eigenlijk best meegevallen. Echte problemen hebben zich niet voorgedaan en met verscheidene leden hebben we erg goed kunnen opschieten. Alleen dat eeuwige te laat komen en het schenden van afspraken, dat is iets waar wij simpele zielen steeds moeite mee hebben gehad. Ook het voldoen aan egoïstische individuele wensen en de geforceerde vrolijkheid vonden we negatieve aspecten. Positief daarentegen was de eruditie, de tolerantie en de bereisdheid van de leden. Van de meeste konden we op dat gebied best iets leren.
We worden gewekt door de laundry service. Dat zul je nu altijd hebben in dit land! Wil je eens uitslapen, dan bellen ze om 6 uur of je een krant wilt, om half zeven maken ze je wakker of je ontbijt op bed wilt, om zeven uur staat er weer iemand klaar om je vuile wasgoed op te halen. Als je helemaal pech hebt komt om acht uur het kamermeisje aan de deur rammelen om te poetsen. Zo gaat dat hier. We checken uit na een wel èrg karig ontbijt: alleen koffie. Het is half tien en er moet gepoetst worden. Hoezo, poetsen? Er zijn toch nog gasten, die kun je toch niet wegjagen? Jawel hoor, het is zaterdag en dan wordt er altijd om half tien gepoetst. Tja, dat moet je dan ook maar toevallig weten. “Rare jongens, die Indiërs,” zou Obelix zeggen.
Onze chauffeurs Sri en Francis staan buiten rond hun busje nog wat te lanterfanten. Als ze ons zien springen ze als één man op. Onze fooi moet toch wel erg vorstelijk zijn geweest. Enthousiast vragen ze: "You go to airport?". Ze willen ons brengen, des te beter. "No, we go to railway station." "Oh, you go to ashram?" "No, we go to Hyderabad!" Daar snappen ze niets van. Dat ouder echtpaar naar de ashram, nu deze twee weer die heel ergens anders heengaan. Waarom blijven die Hollanders niet bij elkaar zoals het hoort? Enfin, een hotelboy rijdt met ons mee om de weg te wijzen. Bij het station geven we onze bagage af. We maken kennis met Atjunar, iemand die bij de spoorwegen werkt. Samen met hem nemen we een riksja en rijden naar de Vidhana Souda. Dat is het imposante parlement van de deelstaat. We hebben het de vorige avond gezien, sprookjesachtig verlicht, zelden iets mooiers gezien op het gebied van illuminatie. Helaas is het gebouw dicht; zoals gezegd, het is zaterdag. Ook het rossige Paleis van Justitie is dicht, dat blijkt als we er willen binnendringen op onze gebruikelijke achteloze manier. We wisselen met Atjunar adressen uit.
![]() |
Het aandeel van de moslims in de Indiase bevolking is meer dan 10%, zo'n 100 miljoen dus. Ze zijn nog tamelijk recht in de leer. Hier volgen kinderen koranles in een haveloos schooltje.Regelmatig vinden er bloedige botsingen plaats tussen Hindoes en Moslims. |
We beloven hem de foto's waar hij op staat toe te
sturen. Na een korte tijd verwijlen in het Cubbon Park nemen we een
riksja en laten we ons naar de oude markt brengen. Veel Moslims daar, erg
druk. We laten de hagelwitte moskee met slanke minaretten links liggen en
zoeken het oude Fort op. Valt dat even tegen! Eén of twee donjons, wat
kerkers,een binnenplaats zo groot als een tennisveld, that's all. We wandelen
kriskras verder door de wijk. Erg veel rotzooi op de grond. In een College
voor moslims maken we een praatje met een van de leraren. Struiken en zelfs
bomen groeien uit de gevels van het gebouw dat nog steeds in gebruik is voor
lessen. Nog een paar fraai en rijkelijk bewerkte Hindoetempels. Vegetarisch
lunchen in kelderrestaurant, “very spicy"! Opnieuw een riksja, nu
naar de Bull Temple in het zuiden van de stad. Niks aan, ook is
er geen volk, dat zegt genoeg. Jos geeft de tempelwachter één roepie.
Deze moet het geld echter afgeven aan een hogere, en dat weigert hij. Ruzie in
het heiligdom, om een stuiver…
Terug, nu naar Tipu Sultan's Palace. Ineens wel veel Indiasche toeristen op de been, moderne lui dus. Het paleis wordt gevormd door een open kiosk in een soort moghulstijl, met schilderingen, maar geen beelden. Het zijn moslims hier! Er ligt een mooie tuin omheen, waar we uitrusten. Jos gaat met zijn macro-lens op vlinderjacht. De Indiërs kijken meewarig toe en vragen zich af wat die kleine, dikke, kale, schele, dove westerling met zijn camera in de struiken te zoeken heeft. Om een uur of vier zijn we weer op het opmerkelijk schone station. Een complimentje voor de Indiase regering, overheidsgebouwen zijn over het algemeen goed gepoetst, hoewel het onderhoud wel eens wat te wensen over laat. We zoeken vergeefs ons rijtuig dat de aanduiding "56" heeft. Nergens te vinden. Na enig rondvragen komen we er tot onze schaamte achter dat de code "S6" is. Nou ja, ze maken hier gewoon een rare S. Een voorbeeld van een communicatiestoornis die verstrekkende gevolgen kan hebben. Altijd op je tellen passen is hier de boodschap.
|
|
|
Precies om half zes vertrekken
we, dezelfde tijd als aangegeven. Het vertrek van de treinen op het
beginstation verloopt bijna altijd op schema, maar aankomen volgens de
dienstregeling is een heel ander chapiter in India. We zijn opgetogen, dit moet
een gunstig voorteken zijn. In onze coupé hebben we gezelschap van een 40-jarige
alleenreizende vrouw (hoge kaste natuurlijk), een professor in de filosofie
(die onze boeken leent, hij is benieuwd wat ze in het westen over zijn
vaderland in toeristische zin schrijven), drie knapen van achter in de twintig
(waarbij een zeer arrogante moslim, de leider van het stel) en tenslotte een
ietwat dikkige meneer Ahmed, die een zware houten hutkoffer met zich meezeult.
Wij slapen boven en moeten woekeren met de ruimte daar. Roken doen we in de
open deuren van het balkon uit consideratie met onze reisgenoten.
We stoppen onderweg vaak, ogenschijnlijk zonder enige reden. Langzaam glijden we door een monotoon landschap. Tijdens elke nieuwe stop komen er bedelaars en verkopers van fruit en drank binnenwippen. Vooral de haveloze kinderen zijn lastig. Ze houden hun hand alleen bij ons westerlingen op, de Indiërs laten ze met rust. Een jochie veegt de vloer schoon met bij elkaar gebonden takjes. Als we hem iets geven, tasten de Indiërs op hun beurt ook in hun zak. Typisch, ze willen dan toch niet achterblijven. Regelmatig houden we de koffie- en theeknechten aan. Als het duister is ingevallen is er weinig meer te doen. Al vroeg kruipen we in onze kooi. Ach, als je eenmaal je draai hebt gevonden is het daarboven zo slecht slapen nog niet. We hebben veel baat bij onze opblaasbare nekkussens! Om zeven uur komt er weer leven in de brouwerij. Iedereen gaat zich netjes wassen, alleen wij niet. Op het toilet is het gewoon een zwijnenboel. We snappen niet waarom die welopgevoede en beschaafde mensen die onhygiënische troep blijven slikken. Alleen in dure westerse hotels kom je fatsoenlijk sanitair tegen.
|
|
|